Controlling in de zorg

Syntrus Achmea Vastgoed koopt gebouw Maasziekenhuis Boxmeer

Dossier: WTZi, Ziekenhuiszorg

Het Achmea Dutch Health Care Property Fund (Zorgfonds) heeft een gebouw van het Maasziekenhuis in Boxmeer aangekocht. Het is de eerste grote acquisitie die Syntrus Achmea Vastgoed op naam van het Zorgfonds doet.
Het Achmea Dutch Health Care Property Fund is een door Syntrus Achmea Vastgoed opgericht fonds voor institutionele beleggers die willen investeren in Zorgvastgoed. Het gaat hierbij om vastgoed in zowel de care als de curatieve zorg. De eerste aankoop van dit fonds is het in aanbouw zijnde gebouw van het Maasziekenhuis. Deze locatie biedt straks plaats aan kantoorfuncties en een aantal zorgfuncties. Ruim tachtig procent is inmiddels verhuurd. Hoofdhuurder voor een periode van twintig jaar is de Stichting Pantein. Het Maasziekenhuis maakt onderdeel uit van Stichting Pantein. De bouw van het ziekenhuiscomplex is in volle gang. De ingebruikname staat gepland voor april 2011. Onderhandelingen over de overige ruimten zijn gaande. De nieuwbouw ontwikkelt het Maasziekenhuis samen met Vitaal ZorgVast. Dat is een concept- en projectontwikkelaar voor de gezondheidszorg en onderdeel van BAM Utiliteitsbouw.

Investeringen
Woordvoerder Frederike Lengers van Syntrus Achmea Vastgoed zegt desgevraagd dat de bouw van een nieuw kankercentrum in Boxmeer geen invloed heeft op de investering. “Het gaat bij het Maasziekenhuis om een regulier ziekenhuis met een nieuw vastgoedconcept dat ook kantoorruimte en winkelruimte omvat. Dat er in deze gemeente ook een nieuw kankercentrum wordt gebouwd heeft daar verder niets mee te maken.” Volgens Lengers is investeren in zorgvastgoed ideaal voor institutionele beleggers die op zoek zijn naar stabiele, lang lopende investeringen.”

[zorgvisie]

Wijziging Uitvoeringsbesluit WTZi

Dossier: WTZi

Kamerstuk, 15 januari 2009

De leden van de vaste Kamercommissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport/Jeugd en Gezin hebben bij brief van 23 december 2008 enkele nadere vragen gesteld naar aanleiding van de voorgenomen derde wijziging van het Uitvoeringsbesluit WTZi.

De leden van de commissie vragen wat de consequenties zouden zijn van een besluit van de Eerste Kamer dat de materie van de voorgehangen wijziging van het Uitvoeringsbesluit WTZi bij wet moet worden geregeld. De leden verzoeken daarbij ook in te gaan op de te verwachten overgangsproblemen.

Met de inwerkingtreding van het voorgenomen voorstel van Wet cliëntenrechten zorg (WCZ) vervalt de WTZi (Brief Patiënten- en cliëntenrechten van 23 mei 2008, Kamerstukken II, 2007-08, 31 476, nr. 1). Thans is de inwerkingtreding van de WCZ voorzien in 2011. Op dat moment is het afschaffen van het bouwregime van de WTZi formeel bij wet geregeld. Vooruitlopend daarop bestaat de beleidsmatige wens – breed gedeeld door de veldpartijen – om het bouwregime al op een eerder moment af te schaffen. Dat kan door middel van aanpassing van het Uitvoeringsbesluit WTZi.

Sinds 1 januari 2008 is het bouwregime afgeschaft voor de ziekenhuizen. Met de onderhavige wijziging van het Uitvoeringsbesluit WTZi wordt het bouwregime ook afgeschaft voor de langdurige zorg (verpleging en verzorging, gehandicaptenzorg en de geestelijke gezondheidszorg).

Het voornemen om het bouwregime ook voor de care te laten vervallen, is verwoord in de brief Met Zorg Ondernemen van 9 juli 2007 aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2006-07, 27 659 en 29 248, nr. 84) en in de brief aan de Tweede Kamer over de toekomst van de AWBZ van 13 juni 2008 (Kamerstukken II, 2007- 08, 30597, nr. 15).

VWS heeft op 18 september 2008 een brief over het afschaffen van het bouwregime voor de langdurige zorg gestuurd aan de VGN (gehandicaptenzorg), ActiZ (verpleging en verzorging en thuiszorg) en GGZ Nederland (geestelijke gezondheidszorg). Die brief is in nauwe samenwerking met het CIBG, het College bouw zorginstellingen (CBZ) en de Nederlandse Zorgautoriteit opgesteld.

In die brief is vermeld dat verzoeken voor een toelating met bouw, die voor 1 oktober 2008 zijn ingediend bij het CIBG en het CBZ, zeker zijn van afgifte van het gewenste goedkeuringsdocument. Later indienen tot en met 31 december 2008 was toegestaan, maar leverde geen garantie op dat het gewenste document kon worden verstrekt. Het College bouw zorginstellingen en de Nederlandse Zorgautoriteit hebben betrokkenen geïnformeerd hoe zij zullen omgaan met het afschaffen van het bouwregime c.q. de continuering van de nacalculatie.

De instellingen hebben rekening gehouden met de afschaffing van het bouwregime. Door de afschaffing kunnen instellingen een gebouw inrichten op basis van de eigen afwegingen en hebben zij te maken met veel minder bureaucratie. De keerzijde van deze grotere vrijheid is dat de instelling zelf het risico voor de investeringsbeslissingen draagt.

Minder bureaucratie
Instellingen hoeven geen (wijziging van de) toelating met bouw meer aan te vragen bij het CIBG bij nieuwe bouwplannen (capaciteitsmutaties moeten evenwel nog wel in de toelating worden vermeld). Met het schrappen van het bouwregime vervalt ook de verplichting om een vergunning aan te vragen bij het College bouw zorginstellingen. De bureaucratie rond bouwprojecten zal hierdoor aanzienlijk worden gereduceerd. De administratieve lasten nemen derhalve af. Instellingen krijgen meer ruimte om eigen, innovatieve initiatieven te ontwikkelen en te realiseren.

Grotere vrijheid in de bouw
Bij instellingen in de zorg bestaat al lange tijd de behoefte om zich meer als maatschappelijke ondernemers te kunnen profileren. Meerdere instellingen werken al investeringsplannen uit die anticiperen op de nieuwe bouwregulering vanuit de overheid, maar wel betere kwaliteit voor cliënten opleveren en tevens een dekkende exploitatie binnen de financiële randvoorwaarden vanuit de overheid. Grotere verantwoordelijkheid voor het exploiteren van hun voorzieningen, in overeenstemming met waar cliënten om vragen, verhoudt zich slecht met gedetailleerde regulering van de bouw. In de vormgeving van de bouw zullen zij met name de grotere vrijheid van handelen kunnen realiseren. Als de afschaffing van het bouwregime wordt opgeschort, zullen dergelijke initiatieven worden belemmerd.

Bekostiging
Tot de invoering van integrale tarieven wordt de nacalculatie voor de kapitaallasten gehandhaafd. Dat betekent niet alleen dat alle initiatieven die al over een vergunning op basis van de WTZi beschikken, maar ook alle andere bouw in de komende jaren de kosten van die bouw na realisatie in die jaren volledig vergoed krijgen. Initiatiefnemers houden bij het opstellen van de bouwplannen rekening met de komst van integrale tarieven in 2011. Dit houdt in dat zij zich, zonder dat daarvoor een wettelijke titel nodig is, rekenschap zullen geven van de laatste prestatie-eisen en bouwkostenkengetallen.

Consequenties van het niet afschaffen van het bouwregime
Zonder bouwregime wordt er in 2009 ook niet meer geprioriteerd voor bouwinitiatieven. Als het bouwregime niet wordt afgeschaft, kan er op zijn vroegst over twee jaar een nieuw bouwprogramma gereed zijn. Dit valt dan samen met de invoering van de integrale tarieven, waarna een bouwprogramma meteen achterhaald zou zijn. Gedurende de tijd van de opstelling van een bouwprogramma worden geen toelatingen afgegeven en ook geen vergunningen verstrekt. Indien het bouwregime in de care niet per 2009 wordt afgeschaft levert dit voor de instellingen veel onduidelijkheid en onzekerheid op en zal dit leiden tot een afwachtende houding bij het nemen van investeringsbeslissingen. Door de afschaffing van het bouwregime kan elke instelling met haar bouwplannen aan de slag zonder voorafgaande inmenging van VWS en haar uitvoeringsorganisaties. Terugkomen op eerder aangekondigd beleid (in casu: uitstel afschaffen bouwregime) zal bovendien financiers van bouwinitiatieven aan het twijfelen brengen.

Door het afschaffen van het bouwregime in de cure en de care worden de taken van het College bouw ziekenhuisvoorzieningen afgebouwd. Per 1 januari 2009 heeft een fors deel van de fte’s van het CBZ een arbeidscontract gekregen bij TNO/Centrum Zorg en Bouw. Op die manier blijft werkgelegenheid en expertise van het CBZ behouden voor veldpartijen, IGZ en NZa.

Als het bouwregime niet wordt afgeschaft, zal het CBZ moeten bezien op welke wijze extra medewerkers kunnen worden ingezet, voor continuering van de taken van het College bouw.

Als Uw Kamer besluit dat de materie bij wet moet worden geregeld, betekent dit dat het bouwregime voor de care pas later zal kunnen worden afgeschaft. Zoals hierboven geschetst is het de bedoeling dat de WTZi zal opgaan in de nieuwe Wet cliëntenrechten zorg, die naar verwachting in 2011 in werking zal treden. Een dergelijke vertraging van de afschaffing van het bouwregime levert voor zorgaanbieders, zorgkantoren en financiers veel onduidelijkheid en onzekerheid op voor de periode tot inwerkingtreding van de nieuwe Wet cliëntenrechten zorg. Bouwiniatieven van instellingen worden zo onnodig belemmerd.

De wijziging van het Uitvoeringsbesluit WTZi bevat verder een aantal aanpassingen naar aanleiding van wijzigingen in het Besluit zorgaanspraken AWBZ en het overhevelen naar de gemeenten van de verantwoordelijkheid voor het geven van prenatale zorg, beide per 1 januari 2009. Deze aanpassingen (van een zuiver technisch karakter) lopen door aanhouding van de wijziging van het Uitvoeringsbesluit WTZi vertraging op.

Ik vertrouw erop dat u na de beantwoording van deze vragen geen belemmeringen ziet om de wijziging van het Uitvoeringsbesluit in werking te laten treden.

[bron]

Klink wil toch juridische verankering: Minister houdt vast aan vermogensklem

Dossier: Intramuraal, WTZi, Ziekenhuiszorg

De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) houdt vast aan de bepaling dat ziekenhuizen de opbrengst van vastgoedtransacties aan de zorg moeten besteden. Hij wil dat juridisch alsnog verankeren. Dat blijkt uit zijn antwoord op kamervragen van de SP en het CDA. Eerder bepaalde de Raad van State dat zijn ‘vermogensklem’ juridisch niet houdbaar was.

De minister stelt in zijn reactie dat de Raad van State de vermogensklem alleen om juridische reden onhoudbaar heeft verklaard. De Raad sprak zich niet uit tegen het door hem gevoerde beleid, dat de waarde van onroerende zaken behouden moet blijven voor zorg. Hoewel de Raad zich er ook niet vóór uitsprak, stelt de minister dat zijn beleid onverkort van kracht blijft. Bovendien zijn volgens Klink in de WTZi (Wet toelating zorginstellingen) momenteel nog andere publieke en private waarborgen aanwezig die weglekken van vermogen uit de zorg voorkomen. Vaak kunnen instellingen ook niet anders omdat hun statuten dat bepalen. Dat de hoogte van het bedrag bij verkoop ook zonder bemoeienis van het College Sanering in de tussentijd afdoende zal zijn, koppelt de minister aan de marktprikkel die instellingen inmiddels kennen.

Waarborgen
Niettemin wil minister Klink zorgen dat de wettelijke grondslag er alsnog komt, bijvoorbeeld in de Wet cliëntenrechten zorg. In overleg met het College Sanering Zorginstellingen en de Nederlandse Zorgautoriteit beziet hij op korte termijn de mogelijkheden voor aanvullende waarborgen voor de periode tot aan inwerkingtreding van de gewenste wettelijke grondslag.

[bron]

Zorgsector wacht golf van faillissementen

Dossier: Intramuraal, WTZi, Ziekenhuiszorg, Zorgzwaartepakketten

22|12|08 – “De voorgenomen wijziging van het ministerie van VWS leidt tot een aanslag op het eigen vermogen van zorginstellingen en tot onvergelijkbare jaarrekeningen”.

De Nederlandse zorgsector wacht een golf van faillissementen nu het Ministerie van VWS van plan is de waardering van onroerend goed in de jaarverslagen van ziekenhuizen, verpleeghuizen en instellingen voor geestelijke gezondheidszorg en zorg aan gehandicapten drastisch te veranderen. Het ministerie wil dat de instellingen bij de waardering van onroerend goed niet meer de richtlijnen van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) hanteren, maar de richtlijnen die in het bedrijfsleven gelden. Dit betekent dat voor alle materiele vaste activa vanaf 1 januari 2009 de gewone richtlijnen van de Raad voor Jaarverslaggeving gaan gelden.

Overgang naar waardering van de vaste activa op basis van de regels van het bedrijfsleven zal leiden tot een verkorting van de afschrijvingstermijn van de gebouwen tot een periode van dertig jaar. Dit betekent dat in één keer het gehele eigen vermogen van vele zorginstellingen verdwijnt.

Uit onderzoek van KPMG blijkt dat de noodzakelijke inhaalafschrijvingen ruim 10% van het budget van zorginstellingen bedraagt. Deze afwaardering als gevolg van de stelselwijziging gaat ten laste van het eigen vermogen dat bij vele zorginstellingen nog niet eens 10% bedraagt. “De combinatie die ontstaat door het opheffen van het oude bouwregime, het ontbreken van een overgangsregeling en het invoeren van de nieuwe regels voor jaarverslaggeving van zorginstellingen, zal leiden tot chaos bij de jaarverslaggeving van zorginstellingen”, constateert David Voetelink, partner bij KPMG Gezondheidszorg.

Voetelink: “Zelfs faillissementen zijn niet uit te sluiten. De voorgenomen wijziging leidt tot een aanslag op het eigen vermogen van zorginstellingen en tot onvergelijkbare jaarrekeningen. Alleen een heldere overgangssystematiek van het oude naar het nieuwe bouwregime kan de dreigende faillissementen en de chaos in de verslaggeving voorkomen”.

Hoewel de voorgenomen uniformering van de verslaggeving in de zorgsector aan die van het bedrijfsleven volgens Voetelink een logische stap lijkt, is het probleem in de zorg dat de waardering van de vaste activa gedurende de afgelopen decennia gebaseerd is geweest op de richtlijnen van de NZa. Voetelink: “Specialisten op het gebied van de jaarverslaggeving zullen wellicht tegenwerpen dat een eventuele lagere waardering van de vaste activa voor een deel tot uitdrukking zal komen in een post ‘financiële vaste activa’, een vordering op NZA uit hoofde van de nacalculatie voor de komende jaren. Nu heeft de NZa geen geld. Dus de vordering is een harde vordering zolang sprake is van volledige nacalculatie van de kapitaallasten of een heldere overgangsregeling. De vordering is dan ook boterzacht indien die alleen maar kan worden verdiend door productie te maken en die in rekening te brengen bij zorgverzekeraar en zorgkantoor.

Hiermee wordt het inschatten van de waarde van genoemde vordering al snel een subjectieve zaak. Het is dus totaal geen gedegen basis voor de waardering. Indien er toch sprake zal zijn van een substantiële waardering, zullen de door de zorginstellingen gehanteerde uitgangspunten sterk uiteen gaan lopen, waardoor de vergelijkbaarheid van de jaarverslaggeving volledig verloren gaat.”

[via CidZ groep op Linkedin]
[bron]

Antwoorden op Kamervragen Vietsch over besteding kapitaalsgelden na verkoop

Dossier: WTZi

Kamerstuk, 22 december 2008

Vraag 1
Vindt u nog steeds dat de gelden die vrijkomen bij verkoop van gebouwen uit de zorg behouden moeten blijven voor de zorg, ofwel dat er een vermogensklem gewenst is? 1)

Ja, zie ook mijn antwoorden op de vragen van het Kamerlid van Gerven (SP) over dit onderwerp.

Vraag 2
Klopt het dat de Commissie Sanering kan bepalen dat meeropbrengsten van gebouwen ten opzichte van de boekwaarde in het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten gestort moeten worden? 2) Zo ja, waarom was dat en waarom kon een zorginstelling zelf niet bepalen hoe zij dit bedrag het beste aan de zorg kon besteden?

Antwoord 2
Op grond van artikel 18 WTZi blijft goedkeuring vooraf door het College Sanering Zorginstellingen (CSZ) vereist voor transacties met onroerende zaken die na de transactie blijvend niet meer voor zorg worden gebruikt. Artikel 18 WTZi, tweede lid, regelt dat het CSZ bij de goedkeuring kan bepalen dat bij verkoop een meeropbrengst ten opzichte van de boekwaarde wordt gestort in het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten. In de praktijk kwam dit niet voor omdat in plaats daarvan de Nederlandse Zorgautoriteit de boekwinst verrekende in het budget van de instelling. In lijn met het afschaffen van het bouwregime worden boekwinsten niet meer verrekend door de NZa. Boekwinsten komen ten goede aan de instelling zelf. Het beleid dat boekwinsten ten goede moeten komen aan zorg blijft onverkort van kracht, zie ook mijn antwoorden op de vragen van het Kamerlid Van Gervan (SP) over dit onderwerp.

Vraag 3
Wat zijn de consequenties van de uitspraak van de Raad van State van 19 november 2008 over het schrappen van de beleidsregel die zorgt dat bij verkoop van gebouwen uit de zorg deze gelden voor de zorg behouden blijven? 2)

Vraag 4
Welke maatregelen gaat u op korte termijn nemen om te verhinderen dat gebouwen nu snel vervreemd worden, en daarmee vermogens kunnen weglekken? Welke maatregelen gaat u op langere termijn nemen?

Antwoord 3 en 4
Zie mijn antwoorden op vragen 1 en 2 van het Kamerlid Van Gerven (SP) over dit onderwerp.

1) www.zorgvisie.nl, 25 november 2008
2) www.raadvanstate.nl, zaaknummer 20080490

Toelichting: deze vragen dienen ter aanvulling op eerdere vragen ter zake van het lid Van Gerven (SP), ingezonden 25 november 2008 (vraagnummer 2008Z07626 / 2080906200)

[bron]

Antwoorden op kamervragen van het Kamerlid Van Gerven over het bericht dat winst uit vastgoedtransacties in de zorg vrij besteed mag worden

Dossier: WTZi

Kamerstuk, 22 december 2008

Vraag 1
Wat is uw reactie op uitspraak van de Raad van State dat de winst uit vastgoedtransacties niet meer per definitie hoeven terug te vloeien in de zorg zelf? 1)

Vraag 2
Deelt u de mening dat dit een onwenselijke uitkomst is? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen? Zo neen, waarom niet? Bent u bereid de Wet Toelating Zorginstellingen (WTZi) aan te passen dat ook vastgoedtransacties onder het winstverbod komen te vallen?

Antwoord 1 en 2
De uitspraak van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State heeft tot gevolg dat het voorschrift – verbonden aan alle WTZi-toelatingen – tot behoud van waarde van onroerende zaken voor zorg geen rechtskracht heeft.
De overwegingen van de Raad van State waren geheel juridisch van aard en hebben geen betrekking op het door mij gevoerde beleid, dat de waarde van onroerende zaken behouden moet blijven voor zorg. Dit beleid blijft dan ook onverkort van kracht.
Op dit moment zijn er daartoe nog andere publieke en private waarborgen aanwezig.
Op grond van artikel 18 WTZi blijft goedkeuring vooraf door het College Sanering Zorginstellingen (CSZ) vereist voor transacties met onroerende zaken die na de transactie blijvend niet meer voor zorg worden gebruikt. Dit waarborgt dat in die gevallen geen weglek uit de zorg kan plaatsvinden.
Ook het Waarborgfonds voor de Zorg (WfZ) moet vooraf goedkeuring verlenen aan vastgoedtransacties, indien sprake is van door het Wfz geborgde leningen of indien sprake is van uitvoering van de Rijksgarantieregeling 1958.
Het door mij ingezette beleid richting integrale tarieven is een prikkel voor instellingen om de marktwaarde te bedingen bij transacties met onroerende zaken en de opbrengst te besteden aan zorg.
Inmiddels is wetgeving in voorbereiding zodat de door de Raad van State gewenste wettelijke grondslag er wel komt. Over het voorstel Wet cliëntenrechten zorg bent u geïnformeerd met brief TK 2007-2008 31476, nr. 1.
In de tussentijd verwacht ik dat het merendeel van de zorginstellingen de marktwaarde zal bedingen bij transacties met onroerende zaken en de opbrengst niet anders zal besteden dan aan zorg. Vaak kunnen instellingen ook niet anders omdat hun statuten dat bepalen.
In overleg met het College Sanering Zorginstellingen en de Nederlandse Zorgautoriteit bezie ik op korte termijn de mogelijkheden voor aanvullende waarborgen voor de periode tot aan inwerkingtreding van de gewenste wettelijke grondslag.
Het verbod op winstoogmerk uit de WTZi is op dit ogenblik van toepassing op intramurale instellingen in zowel de cure- als de care-sector. Zorginstellingen die vastgoedtransacties plegen zijn in overwegende mate intramurale instellingen waarvoor dus het verbod op winstoogmerk al van toepassing is.

Vraag 3
Wanneer kan de Kamer uw reactie op het advies van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) over winstexperimenten in de zorg verwachten?

Antwoord 3
Ik zie het advies van de NZa als één van de bouwstenen voor afwegingen in het kader van toekomstig beleid rond het thema winst in de zorg. Een besluit over winstexperimenten in de zorg staat niet op zichzelf maar dient te worden geplaatst in een breder kader, zoals kwaliteit en transparantie van de zorg en het toezicht daarop. Er zijn dan ook meer bouwstenen nodig dan alleen het NZa-advies. Het is mijn voornemen om hierover uiterlijk in het voorjaar (2009) een brief naar de Tweede Kamer te zenden.

1) Het Financieele Dagblad, 24 november 2008

[bron]

Wat zegt uw balans over de waarde van uw zorgvastgoed?

Dossier: Bouw, Intramuraal, kapitaallasten, WTZi, Ziekenhuiszorg

Als de economische realiteit wijzigt, kunnen verslaggevingsregels niet achterblijven.

Een last minute wijziging in de wet- en regelgeving vlak voor het welverdiende (kerst)reces: het lijkt zowaar een nieuwe traditie in de zorg! Houd de komende dagen in ieder geval de Staatscourant nog even in de gaten. Op verschillende punten zal namelijk de Regeling Verslaggeving WTZi (RVW) worden gewijzigd. Na de jaarwisseling kunt u in navolging hiervan ook de gewijzigde RJ richtlijn 655 verwachten. Vooral de waardering van vastgoed zal onder invloed van deze wijzigingen in de spotlights komen staan. Terechte aandacht voor de waarde van het onroerend goed of een verslaggevingshype die controllers, bestuurders en toezichthouders in de zorg na het losbarsten van de kredietcrisis ook nog even moeten ondergaan?

De erfenis van de integrale vergoeding van kapitaallasten
Transparantie en afstemming op de economische realiteit zijn dé toverwoorden in de hedendaagse jaarverslaggeving. Zolang de overheid geheel garant staat voor de totale bekostiging van de kapitaallasten van het zorgvastgoed. Het vastgoed wordt gewaardeerd en afgeschreven volgens de systematiek van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). Deze vereisten liggen verankerd in de Regeling Verslaggeving WTZi én in de huidige Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving (RJ 655).

Waar de overheid niet geheel garant staat voor de kapitaallasten ontstaat een geheel nieuwe situatie. In die nieuwe economische context doet zich namelijk de vraag voor: hoeveel is het vastgoed feitelijk waard? Anders gesteld: hoeveel kapitaallasten kan ik nog terugverdienen gegeven de verwachte zorgvraag?

Deze verandering in de bekostiging gaat voor zorginstellingen gepaard met een onaangename erfenis. We doelen daarbij op de gevolgen van de strikte NZa-voorwaarden inzake de waardering, de relatief lange afschrijvingstermijnen en de restwaardebepaling. Als gevolg hiervan resulteert toepassing van dit systeem in de regel naar een (veel te) hoge boekwaarde van het zorgvastgoed. Een extra blok aan het been van veel zorginstellingen die volgens de financiers gemiddeld genomen toch al weinig vet op de botten hebben? Er kan dan ook gefundeerd gesteld worden dat er alle reden is om de waardering van het zorgvastgoed goed tegen het licht te houden. De huidige waarderingsgrondslagen van het WTZi-vastgoed moeten dus op de schop om de waardering van het vastgoed aan te laten sluiten bij de actuele economische realiteit.

Het einde van de integrale bekostiging van kapitaallasten van zorgvastgoed.
Door de turbulente ontwikkelingen in de bekostiging van de zorg, zoals de in juli 2008 aangekondigde uitbreiding van het B-segment is van een integrale kapitaallastenvergoeding steeds minder sprake. In 2008 kon over maximaal 20% van de ziekenhuiszorg vrij worden onderhandeld. Vanaf 2009 geldt dit voor 34% van de behandelingen. Voor een significant deel van de ziekenhuisproductie geldt nu dan ook vrije prijsvorming en een einde aan de integrale nacalculatie van kapitaallasten. Als gevolg hiervan zien zorginstellingen en banken hun financiële zekerheden van overheidswege snel slinken. De dekking van de kapitaallasten wordt namelijk steeds meer afhankelijk van de productieomvang en de afgesproken tarieven.
Ook de care-sector heeft alle reden om over de toekomst van het vastgoed na te denken. Weliswaar heeft de staatssecretaris in mei 2008 aangegeven dat er nu binnen de AWBZ-sector even te veel tegelijkertijd verandert en de tijd nog niet rijp is voor de invoering van integrale tarieven; uitstel is daarmee nog geen afstel. Verdere normering van de kapitaallastenbekostiging van de care sector wordt in 2011 verwacht. Gegeven de financiële impact en de ervaringen in de cure sector is een goede beleidsmatig onderbouwde risicoanalyse op zijn plaats.

Deze wijzigingen vragen de beleidsmatige aandacht van bestuurders en controllers voor het vastgoeddossier. Een geregeld gehoorde tegenwerping hierop is de onzekerheid die bestaat over de tariefstelling. Wij ontkennen die niet en noemen een nog veel grotere onzekerheid: de ontwikkeling van de toekomstige vraag. Dit bevestigt het strategisch karakter van het vastgoedvraagstuk. Het is niet realistisch om de terugverdiencapaciteit ‘tot achter de komma’ te prognosticeren. Maar u kunt de analyse van de diverse scenario’s niet lang uitstellen. Het nieuwe bekostigingsregime zal bij flink aantal zorginstellingen leiden tot boekwaarden die niet terugverdiend kunnen worden uit de toekomstige kasstromen. Voorkom dat het bekende struisvogelzand u het zicht op een onrendabele top ontneemt.

Veranderende verslaggeving
Nu de integrale financiering van vastgoed voor WTZi gefinancierde vaste activa langzaam maar zeker gaat verdwijnen vindt ook een verandering plaats in de externe verslaggeving. De verslaggevingsvoorschriften, gebaseerd op NZa-beleidsregels, verworden tot rudimentaire boekhoudregels die geen basis meer vinden in de economische realiteit. Er komt voor dit strakke, centraal voorgeschreven regime geen vergelijkbare vervanger: de reguliere voorschriften uit het bedrijfsleven vormen het nieuwe verslaggevingskader.

Voor het verslaggevingsjaar 2008 betekent dit (voor cure en care):
• Waardering tegen historische kostprijs blijft mogelijk;
• Jaarlijks moet worden bepaald of sprake is van bijzondere waardeverminderingen van het vast actief (“impairment”). Hier ligt een belangrijk attentiepunt: waardeverminderingen vinden hun weg naar de resultatenrekening of (als verhaal mogelijk is:) in de balans als financieel vast actief.
• De afschrijvingstermijnen moeten worden geëvalueerd en worden herijkt op de verwachte economische gebruiksduur van het zorgvastgoed;
• En als sluitstuk: waardering tegen actuele waarde gaat tot de mogelijkheden behoren.

Met de introductie van de gangbare uitgangspunten voor externe verslaggeving kunnen problemen voortvloeiend uit een irreële waardering in de toekomst worden voorkomen. Het vraagt wel een gezonde visie op de terugverdiencapaciteit van het vastgoed dat als “productiemiddel” een zelfstandige waarde heeft (en niet langer haar waarde ontleent aan het nacalculatieregime). Als deze waarde ruimschoots beneden de boekwaarde ligt: haast u zich dan naar de autoriteiten die u in het verleden te weinig gecompenseerd hebben voor het daadwerkelijke waardeverlies van het vastgoed.

Los van alle technische implicaties is het in het eigen belang van zorginstellingen niet te aarzelen om specifiek op hun instelling toegespitste waarderingsgrondslagen te hanteren die aansluiten op hun vastgoedbeleid. Dit is grote winst en doet recht aan de pluriformiteit binnen de sector.

Waardering tegen actuele waarde en impairment
Een van de interessante nieuwe mogelijkheden vormt de waardering van het vastgoed tegen actuele waarde. Vastgoed dat bedoeld is voor de bedrijfsuitoefening kan binnen dit waarderingsstelsel worden verantwoord op basis van vervangingswaarde of lagere realiseerbare waarde indien deze lager is dan de vervangingswaarde. Vooral zorginstellingen met vastgoed op strategische locaties en met een minder florisante financiële positie zien hierin de mogelijkheid om hun stille reserves tot uitdrukking te brengen op de balans.

Tegenover dit voordeel staan echter ook nadelen. De vervangingswaarde en bijzondere waardeverminderingen komen vaak tot stand op basis van subjectieve uitgangspunten. Dit kan leiden tot grotere onzekerheden over de juiste waardering van het vastgoed én tot gewenste én ongewenste schommelingen in het resultaat. Het is de vraag of het bestuur van een zorginstelling volledig verantwoordelijk kan worden gehouden voor ontwikkelingen in toekomstige kasstromen die het gevolg zijn van wijzigingen van de zorgvraagontwikkeling, de kosten en de rentevoet. Het risico is groot dat een zorginstelling zich arm of rijk rekent door het hanteren van niet-realistische toekomstgerichte uitgangspunten. Een half procent meer of minder inkomstenstijging en/of een half procent hogere of lagere disconteringsvoet hebben immers grote invloed op de hoogte van de bedrijfswaarde. Vanuit de Raad voor de Jaarverslaggeving én van uw accountant kunt u in dit kader op korte termijn de nodige handreikingen verwachten.

Wordt uw instelling er beter van?
Zeker is dat waardering van het vastgoed vanaf nu niet langer een (verplicht voorgeschreven) automatisme is, maar tot het strategisch financieel beleid van zorginstellingen gerekend moet gaan worden. Aansluiting bij het vastgoedbeleid van de zorginstelling is daarbij een vereiste.
Als na een interne toets op bijzondere waardeverminderingen blijkt dat de voorheen toegepaste waarderingsgrondslagen per saldo hebben geleid tot een onrendabele top heeft u steun uit onverwachte hoek: de geactualiseerde verslaggevingsregels bieden ruimte om een deficit te verwerken en/of toe te lichten. Zo niet, dan kan alles kan bij het oude blijven. Extra kansen zijn er overigens wel, zeker voor de instellingen die hun reële waarde van het vastgoed (lees: stille reserve) expliciet tot uitdrukking willen brengen.

Tot slot
U wordt dus uitgedaagd na te gaan of de huidige boekwaarde niet al te veel afwijkt van de realiteit. De prioriteit hiervan schatten wij dusdanig hoog in dat u hierover ook in uw externe verantwoording zo realistisch en transparant mogelijk zal willen zijn.

[bron]

Wijziging Uitvoeringsbesluit WTZi

Dossier: WTZi

Kamerstuk, 16 december 2008

Hierbij leg ik u een wijziging van het Uitvoeringsbesluit van de Wet toelating zorginstellingen (WTZi) voor.

Artikel 65 van de WTZi bepaalt dat een krachtens deze wet vastgestelde algemene maatregel van bestuur aan de beide Kamers der Staten-Generaal wordt overlegd. De maatregel treedt in werking op een tijdstip dat wordt vastgesteld nadat dertig dagen na de overlegging zijn verstreken, tenzij binnen die termijn door of namens een der Kamers de wens te kennen wordt gegeven dat een in de maatregel geregeld onderwerp bij wet wordt bepaald.

Met deze wijziging van het Uitvoeringsbesluit WTZi vervalt het bouwregime in de “care” (psychiatrische ziekenhuizen en AWBZ-instellingen) per 1 januari 2009. Daarnaast bevat deze wijziging van het Uitvoeringsbesluit WTZI een aantal aanpassingen per 1 januari 2009 naar aanleiding van wijzigingen in het Besluit zorgaanspraken AWBZ en het overhevelen naar de gemeenten van de verantwoordelijkheid voor het geven van prenatale zorg.

Verder wordt met de wijziging van het Uitvoeringsbesluit WTZi duidelijker vastgelegd dat AWBZ-instellingen die extramurale zorg verlenen, geen winstoogmerk mogen hebben, indien zij daarnaast dezelfde soort zorg in combinatie met verblijf verlenen. Instellingen die beide vormen aanbieden, en de extramurale zorg wel met winstoogmerk willen uitvoeren, zullen die activiteiten in twee rechtspersonen moeten onderbrengen.

Voor de andere kleinere aanpassingen en een nadere toelichting zou ik u willen verwijzen naar de nota van toelichting bij het wijzigingsbesluit.

[Besluit van houdende derde wijziging van het Uitvoeringsbesluit WTZi]

[bron]

Ga nooit meer budgetteren in de zorg

Dossier: AWBZ, DBC, Kaderregeling AO/IC AWBZ, WMO, WTZi, WVG, Ziekenhuiszorg, Zorg

Het nieuwe zorgstelsel kampt met kinderziektes. Maar pleidooien voor terugkeer naar het oude stelsel gaan niet op , menen Lans Bovenberg en Marcel Canoy.

‘Stijgende kosten zorg na invoering marktwerking’ en ‘Zorg groeit explosief na marktwerking’ kopte deze krant op 1 maart na publicatie van een rapport van Vektis en de Boston Consulting Group. Om daaraan de conclusie te verbinden dat dit allang bekend is uit het buitenland en dat daarmee het nieuwe zorgstelsel op een fiasco uitdraait.
Lees verder »

Wijziging Uitvoeringsbesluit WTZi

Dossier: WTZi

Kamerstuk, 24 januari 2008

De leden van de commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport hebben enkele nadere vragen gesteld naar aanleiding van de wijziging van het Uitvoeringsgbesluit Wet toelating zorginstellingen (WTZi; Kamerstukken II, 2007-2008, 27 659 nr. 93). Hieronder beantwoord ik deze vragen.

De leden van de commissie menen dat het antwoord van de minister inzake de vraag betreffende de relatie tussen AMvB en artikel 18 van de WTZi ontoereikend is. Blijkens die wetsbepaling is het College bevoegd te besluiten tot verplichte afdracht van boekwinsten (als hoofdregel naar het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten bij verkoop van vastgoed door ziekenhuizen). Door de beleidsregel van de NZa is die bevoegdheid en daarmee de hoofdregel de facto buiten werking gesteld. De commissie is van mening dat dit wringt en slechts een wijziging van artikel 18 WTZi uitkomst kan bieden en op zo’n wetswijziging niet vooruitgelopen kan worden middels een beleidsregel, ook al is deze afgedekt door de minister.
Derhalve verzoekt de commissie de minister op korte termijn aan te geven of hij het met die laatste zienswijze eens is en wanneer hij artikel 18 WTZi in overeenstemming brengt met de door hem geschetste feitelijke situatie. Naar de commissie begrepen heeft uit het antwoord van de minister d.d. 13 december 2007 (kenmerk MC-U-2819651) gebeurt dit in de Wet Cliënt en Kwaliteit. De leden van de commissie vernemen graag wanneer zij deze wet tegemoet kunnen zien en wat de minister daarin regelt met betrekking tot het onderhavige uitvoeringsbesluit. Vooralsnog menen zij dat een spoedwet geboden is.
Lees verder »

Populair deze maand

  • (none)

Dit is een Wordpress weblog. Het thema is gebaseerd op Magatheme.

Clicky