Als de economische realiteit wijzigt, kunnen verslaggevingsregels niet achterblijven.
Een last minute wijziging in de wet- en regelgeving vlak voor het welverdiende (kerst)reces: het lijkt zowaar een nieuwe traditie in de zorg! Houd de komende dagen in ieder geval de Staatscourant nog even in de gaten. Op verschillende punten zal namelijk de Regeling Verslaggeving WTZi (RVW) worden gewijzigd. Na de jaarwisseling kunt u in navolging hiervan ook de gewijzigde RJ richtlijn 655 verwachten. Vooral de waardering van vastgoed zal onder invloed van deze wijzigingen in de spotlights komen staan. Terechte aandacht voor de waarde van het onroerend goed of een verslaggevingshype die controllers, bestuurders en toezichthouders in de zorg na het losbarsten van de kredietcrisis ook nog even moeten ondergaan?
De erfenis van de integrale vergoeding van kapitaallasten
Transparantie en afstemming op de economische realiteit zijn dé toverwoorden in de hedendaagse jaarverslaggeving. Zolang de overheid geheel garant staat voor de totale bekostiging van de kapitaallasten van het zorgvastgoed. Het vastgoed wordt gewaardeerd en afgeschreven volgens de systematiek van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). Deze vereisten liggen verankerd in de Regeling Verslaggeving WTZi én in de huidige Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving (RJ 655).
Waar de overheid niet geheel garant staat voor de kapitaallasten ontstaat een geheel nieuwe situatie. In die nieuwe economische context doet zich namelijk de vraag voor: hoeveel is het vastgoed feitelijk waard? Anders gesteld: hoeveel kapitaallasten kan ik nog terugverdienen gegeven de verwachte zorgvraag?
Deze verandering in de bekostiging gaat voor zorginstellingen gepaard met een onaangename erfenis. We doelen daarbij op de gevolgen van de strikte NZa-voorwaarden inzake de waardering, de relatief lange afschrijvingstermijnen en de restwaardebepaling. Als gevolg hiervan resulteert toepassing van dit systeem in de regel naar een (veel te) hoge boekwaarde van het zorgvastgoed. Een extra blok aan het been van veel zorginstellingen die volgens de financiers gemiddeld genomen toch al weinig vet op de botten hebben? Er kan dan ook gefundeerd gesteld worden dat er alle reden is om de waardering van het zorgvastgoed goed tegen het licht te houden. De huidige waarderingsgrondslagen van het WTZi-vastgoed moeten dus op de schop om de waardering van het vastgoed aan te laten sluiten bij de actuele economische realiteit.
Het einde van de integrale bekostiging van kapitaallasten van zorgvastgoed.
Door de turbulente ontwikkelingen in de bekostiging van de zorg, zoals de in juli 2008 aangekondigde uitbreiding van het B-segment is van een integrale kapitaallastenvergoeding steeds minder sprake. In 2008 kon over maximaal 20% van de ziekenhuiszorg vrij worden onderhandeld. Vanaf 2009 geldt dit voor 34% van de behandelingen. Voor een significant deel van de ziekenhuisproductie geldt nu dan ook vrije prijsvorming en een einde aan de integrale nacalculatie van kapitaallasten. Als gevolg hiervan zien zorginstellingen en banken hun financiële zekerheden van overheidswege snel slinken. De dekking van de kapitaallasten wordt namelijk steeds meer afhankelijk van de productieomvang en de afgesproken tarieven.
Ook de care-sector heeft alle reden om over de toekomst van het vastgoed na te denken. Weliswaar heeft de staatssecretaris in mei 2008 aangegeven dat er nu binnen de AWBZ-sector even te veel tegelijkertijd verandert en de tijd nog niet rijp is voor de invoering van integrale tarieven; uitstel is daarmee nog geen afstel. Verdere normering van de kapitaallastenbekostiging van de care sector wordt in 2011 verwacht. Gegeven de financiële impact en de ervaringen in de cure sector is een goede beleidsmatig onderbouwde risicoanalyse op zijn plaats.
Deze wijzigingen vragen de beleidsmatige aandacht van bestuurders en controllers voor het vastgoeddossier. Een geregeld gehoorde tegenwerping hierop is de onzekerheid die bestaat over de tariefstelling. Wij ontkennen die niet en noemen een nog veel grotere onzekerheid: de ontwikkeling van de toekomstige vraag. Dit bevestigt het strategisch karakter van het vastgoedvraagstuk. Het is niet realistisch om de terugverdiencapaciteit ‘tot achter de komma’ te prognosticeren. Maar u kunt de analyse van de diverse scenario’s niet lang uitstellen. Het nieuwe bekostigingsregime zal bij flink aantal zorginstellingen leiden tot boekwaarden die niet terugverdiend kunnen worden uit de toekomstige kasstromen. Voorkom dat het bekende struisvogelzand u het zicht op een onrendabele top ontneemt.
Veranderende verslaggeving
Nu de integrale financiering van vastgoed voor WTZi gefinancierde vaste activa langzaam maar zeker gaat verdwijnen vindt ook een verandering plaats in de externe verslaggeving. De verslaggevingsvoorschriften, gebaseerd op NZa-beleidsregels, verworden tot rudimentaire boekhoudregels die geen basis meer vinden in de economische realiteit. Er komt voor dit strakke, centraal voorgeschreven regime geen vergelijkbare vervanger: de reguliere voorschriften uit het bedrijfsleven vormen het nieuwe verslaggevingskader.
Voor het verslaggevingsjaar 2008 betekent dit (voor cure en care):
• Waardering tegen historische kostprijs blijft mogelijk;
• Jaarlijks moet worden bepaald of sprake is van bijzondere waardeverminderingen van het vast actief (“impairment”). Hier ligt een belangrijk attentiepunt: waardeverminderingen vinden hun weg naar de resultatenrekening of (als verhaal mogelijk is:) in de balans als financieel vast actief.
• De afschrijvingstermijnen moeten worden geëvalueerd en worden herijkt op de verwachte economische gebruiksduur van het zorgvastgoed;
• En als sluitstuk: waardering tegen actuele waarde gaat tot de mogelijkheden behoren.
Met de introductie van de gangbare uitgangspunten voor externe verslaggeving kunnen problemen voortvloeiend uit een irreële waardering in de toekomst worden voorkomen. Het vraagt wel een gezonde visie op de terugverdiencapaciteit van het vastgoed dat als “productiemiddel” een zelfstandige waarde heeft (en niet langer haar waarde ontleent aan het nacalculatieregime). Als deze waarde ruimschoots beneden de boekwaarde ligt: haast u zich dan naar de autoriteiten die u in het verleden te weinig gecompenseerd hebben voor het daadwerkelijke waardeverlies van het vastgoed.
Los van alle technische implicaties is het in het eigen belang van zorginstellingen niet te aarzelen om specifiek op hun instelling toegespitste waarderingsgrondslagen te hanteren die aansluiten op hun vastgoedbeleid. Dit is grote winst en doet recht aan de pluriformiteit binnen de sector.
Waardering tegen actuele waarde en impairment
Een van de interessante nieuwe mogelijkheden vormt de waardering van het vastgoed tegen actuele waarde. Vastgoed dat bedoeld is voor de bedrijfsuitoefening kan binnen dit waarderingsstelsel worden verantwoord op basis van vervangingswaarde of lagere realiseerbare waarde indien deze lager is dan de vervangingswaarde. Vooral zorginstellingen met vastgoed op strategische locaties en met een minder florisante financiële positie zien hierin de mogelijkheid om hun stille reserves tot uitdrukking te brengen op de balans.
Tegenover dit voordeel staan echter ook nadelen. De vervangingswaarde en bijzondere waardeverminderingen komen vaak tot stand op basis van subjectieve uitgangspunten. Dit kan leiden tot grotere onzekerheden over de juiste waardering van het vastgoed én tot gewenste én ongewenste schommelingen in het resultaat. Het is de vraag of het bestuur van een zorginstelling volledig verantwoordelijk kan worden gehouden voor ontwikkelingen in toekomstige kasstromen die het gevolg zijn van wijzigingen van de zorgvraagontwikkeling, de kosten en de rentevoet. Het risico is groot dat een zorginstelling zich arm of rijk rekent door het hanteren van niet-realistische toekomstgerichte uitgangspunten. Een half procent meer of minder inkomstenstijging en/of een half procent hogere of lagere disconteringsvoet hebben immers grote invloed op de hoogte van de bedrijfswaarde. Vanuit de Raad voor de Jaarverslaggeving én van uw accountant kunt u in dit kader op korte termijn de nodige handreikingen verwachten.
Wordt uw instelling er beter van?
Zeker is dat waardering van het vastgoed vanaf nu niet langer een (verplicht voorgeschreven) automatisme is, maar tot het strategisch financieel beleid van zorginstellingen gerekend moet gaan worden. Aansluiting bij het vastgoedbeleid van de zorginstelling is daarbij een vereiste.
Als na een interne toets op bijzondere waardeverminderingen blijkt dat de voorheen toegepaste waarderingsgrondslagen per saldo hebben geleid tot een onrendabele top heeft u steun uit onverwachte hoek: de geactualiseerde verslaggevingsregels bieden ruimte om een deficit te verwerken en/of toe te lichten. Zo niet, dan kan alles kan bij het oude blijven. Extra kansen zijn er overigens wel, zeker voor de instellingen die hun reële waarde van het vastgoed (lees: stille reserve) expliciet tot uitdrukking willen brengen.
Tot slot
U wordt dus uitgedaagd na te gaan of de huidige boekwaarde niet al te veel afwijkt van de realiteit. De prioriteit hiervan schatten wij dusdanig hoog in dat u hierover ook in uw externe verantwoording zo realistisch en transparant mogelijk zal willen zijn.
[bron]